Vodka Redbull Pt. 3

Koppijn. Misselijk. Moe.

Ik heb zo fucking veel dorst.

Ik wil dood.

Waar ben ik.

09:03

“Goeiemorgen.”

Mike. Hij ligt naast me. Duidelijk net wakker.

Mijn hele lichaam doet pijn. Ik zie wazig.

“Je hebt een behoorlijke klap gemaakt vannacht.” Hij kust mijn voorhoofd.

Verdomme wat lief.

Zijn haar is pluizig en het staat alle kanten op.

Schattig.

Ik haal mijn hand zachtjes door zijn haar. “Sorry.”

“Hoe voelen we ons?”

“Beroerd.”

Zijn kamer. Zo huiselijk. Zo vertrouwd.

Hij heeft zelfs zo’n ouderwetse platenspeler.

Overal liggen boeken.

Groot raam. Plantjes in het kozijn.

Het regent, de lucht donker.

De deur kraakt zachtjes. Zacht gemiauw. Een kat.

“Je hebt een kat?”

“Ja. Dat is sproet.”

Sproet. Lief.

“Ik ben moe.”

“Ga weer slapen, ik kan ook nog wel een paar extra uurtjes gebruiken.” Liefelijk plaatst hij kleine kusjes in mijn nek.

Ik leg mijn hoofd op zijn borst. Zijn arm om mij heen. Onze benen weven in elkaar.

Zijn hart, rustig bonzend.

11:48

Regen tikt op het dak. Mike slaapt nog. Sproet ook.

Wat ben ik aan het doen. Dit is niks voor mij. Ik ben geen aanhankelijk persoon.

Ik blijf nooit bij gozers slapen. Maar we hebben niet geneukt. Dit is anders.

Ik ga altijd zo snel mogelijk weg.  Samen wakker worden met iemand versterkt je gevoelens. Ik vertrek altijd midden in de nacht of s ’ochtends vroeg. Om vervolgens een appje te sturen met ‘Sorry, moet vroeg werken.’ Dom excuus. Maar het is wel makkelijk.

Maar nu lig ik hier. In zijn bed. In zijn kamer.

Zal ik gewoon naar huis gaan. Ik wil hem niet wakker maken. Wat moet ik zeggen.

Ik schaam me zo. Ik had nieteens veel gedronken. Kut lage bloeddruk.

Sproet, die rustig aan het bed einde lag te slapen, komt zacht spinnend op mijn buik liggen.

“Hoi Sproet.” Zeg ik fluisterend tegen de zwart met wit gevlekte kat.

Ik ben echt een kattenmens. Honden zijn ook leuk, maar katten net iets meer.

“Praat je nou tegen mijn kat?” Mike draait zich om, naar mij toe.

Fuck. Nu denkt hij dat ik een of andere dierenfluisteraar ben. Lekker bezig.

“Jaloers?”

“Klein beetje.”

Hij zoent me. Hij kan zo goed zoenen.

Hij zoent me alsof we al jaren samen zijn. Onze lippen bewegen samen op het perfecte ritme. Hij voelt vertrouwd.

“Wat doet iemand zoals jij op tinder?” Vraag ik, terwijl ik mijn hoofd op zijn schouder leg.

“Hetzelfde als iedereen. Daten, nieuwe mensen leren kennen.”

Tinder is voor mensen met een gebroken hart.

Tinder is voor mensen die niet over hun ex heen zijn.

Tinder is voor egoïstische klootzakken.

“Nee, jij bent te lief voor tinder.” Ik kijk hem aan, zijn groene ogen lichten op.

“Te lief, voor tinder?”

“ja. Iedere andere tinder gozer had mij echt niet naar zijn huis getild. Al helemaal niet zonder op z’n minst te proberen alsnog te neuken.”

“Dat is toch normaal om te doen? Ik kan je toch niet achterlaten daar.”

“Zou je mij niet willen doen dan?”

“Tuurlijk, maar niet als jij je niet goed voelt.”

“Dat bedoel ik. Je bent echt te lief voor Tinder.”

Mike kijkt bedenkelijk. “Waarom zit jij op tinder dan?”

Ik kan hem niet zeggen dat ik niet over mijn ex heen ben. Dat ik opzoek ben naar iemand zoals Noah. Dat ik weer wil geloven in de liefde. Ik moet een excuus verzinnen.

“Geen idee, verveling.”

“Ben ik gewoon tijdverdrijf voor jou?”

Weet ik niet. Misschien wel.

“Nee. Zo moet je het niet zien. Ik heb geen hoge verwachtingen van Tinder.”

“Ik ook niet. Tot ik jou ontmoette.” Hij kust mijn schouder.

Het is net alsof deze gast regelrecht uit een romantische comedy komt. What the fuck.

Ik sta op uit zijn bed. Mijn hele lichaam is boos op mij. Alles doet zo’n pijn.

“Mijn ouders zijn waarschijnlijk vet ongerust. Ik moet echt gaan.”

“Snap ik.”

Mijn mobiel ligt op het nachtkastje. Aan de oplader. 100%.

Ik moet lachen.

“Wat?”

“Nee niks.”

Één snelle blik naar mezelf in de spiegel.

Ik zie er niet uit. Zwarte kringen onder mijn ogen. Mijn haar smerig.

Waarom zit er fucking confetti in mijn haar.

Ik draai me om naar Mike. “Wanneer ging je me vertellen dat ik eruit zie als je lokale zwerver?”

“Ik zou je alsnog doen.”

Grappig hoor.

Mijn tas staat op de grond. Ik pak mijn mobiel van het nachtkastje af. Ik check of ik alles nog heb en stop mijn mobiel in mijn achterzak.

“Nou, doei.”

“Wil je geen paraplu lenen?”

Ik kijk naar buiten. Het regent echt tering hard.

“Ja graag.”

“Als je ‘m maar wel terugbrengt hé.” Hij moet er zelf om lachen.

Mike staat op van zijn bed, hij opent de deur naar de gang. Hij pakt een paraplu die tegen de muur aanstond. “Alstu”

“Dankje.”

Hij opent de deur. Ik stap voorzichtig naar buiten. Het stormt.

Wat nu. Ik haat dit moment. Gaan we zoenen? Ga ik gewoon omkeren en weglopen?

Hij zoent me. kort. Lief.

“Wanneer kan ik je weer zien?”

“Weet ik niet.”

Wanneer kan ik je weer zien?

Zodat je altijd iemand hebt om tegen aan te lullen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s